Eric Corijn – Hartslag

Hart boven Hard heeft een lange weg te gaan

(Uitgewerkte versie lezing op Hartslag-dag. 25.10.2014)

Eric Corijn

  1. Beleid wil een regimewissel. Laten we beginnen met een positief oordeel: deze regeringen zijn coherent en consequent. Het is een coalitie van rechtse partijen. Ze hebben een duidelijk politiek project. En dat wordt ook zonder omwegen gecommuniceerd. Het is dus van belang dat juist in te schatten. Het nieuwe beleid wil een breuk met het verleden. Welk verleden? En welke breuk?
  • Het “Belgisch model” stamt van het einde van de tweede wereldoorlog en is een uitgewerkte vorm van overlegeconomie, van “sociaal gecorrigeerde markteconomie”. Daaruit is onze welvaartstaat gegroeid. Dat model steunt enerzijds op een groei-economie, op toenemende arbeidsproductiviteit, op steeds meer markt. Anderzijds steunt het op een sociaal herverdelingsmechanisme via fiscaliteit (overheidsdiensten) en via uitgesteld loon (sociale zekerheid) waardoor niet productieve medeburgers zoveel mogelijk binnen de koopkracht worden gehouden. Die welvaartstaatsvoorzieningen zijn sinds de economische crisis van 1974, de neoliberale draai in het beleid sinds de jaren 80, de mondialisering en de desindustrialisering, de toegenomen dualisering… sterk onder druk gekomen. Er is steeds bezuinigd en beknibbeld, er is naast het rechten vertoog ook steeds meer een plichtendiscours gekomen, steeds meer openbare diensten werden geprivatiseerd. Toch heeft men gedurende dertig jaar gepoogd de fundamenten van het systeem in stand te houden.
  • Vandaag wil men, onder druk van de economische wereld en met het argument van de concurrentiecapaciteit, het systeem zelf grondig herzien en op een andere leest schoeien. Indien men de basisprincipes van de economie – markteconomie, waarin private investeringen worden gemobiliseerd met een verwachting van winst – in stand wil houden dan moet de politiek steeds meer maatschappelijke middelen investeren in de rentabiliteit van de economie. Het economisch beleid moet ervoor zorgen dat de kosten van de lonen en de productie zo laag mogelijk worden gehouden en het sociaal-cultureel beleid moet ervoor zorgen dat de kosten van de reproductie en van de sociale inclusie navenant laag blijven. De logica is er één van verdere privatisering, individualisering en liberalisering waarbij zij die voor hun eigen inkomen zorgen (de “hardwerkende Vlaming”) via de markt voor (kwalitatieve) sociale en educatieve voorzieningen zorgen. Zij die zelf onvoldoende koopkracht hebben zullen worden doorverwezen naar minimale armenzorg. Een welvaartstaat voor de economisch actieven, een minimumdienstverlening aan strikte voorwaarden voor de behoeftigen. Het welvaartsarrangement wordt herzien. De economische mechanismen gaan voor (rentabiliteit, winst, private vermogensopbouw, belastingsverlaging…). De sociale doelstellingen worden daaraan ondergeschikt.
  • Om dat project te verwezenlijken moet de kracht van bepaalde delen van het middenveld gevoelig worden verminderd: de vakbonden in de overlegeconomie, de sociaal-culturele en artistieke sector, de experten in raden, jury’s en commissies, burgerbewegingen… Vandaar ook een stoer politiek discours en een stormrambeleid, dat de confrontatie en de provocatie niet schuwt. Men gaat voor een ander regime, voor een andere politiek, voor een nieuwe hegemonie. Men steunt daarbij op een belangrijk deel van bevolking en electoraat en poogt het andere kamp te verdelen en te discrediteren.
  • Mijn uitgangspunt is dus: dit beleid zoekt een breuk met het verleden, het instellen van nieuwe maatschappelijke spelregels, met een andere krachtsverhouding tussen bepaalde sociale actoren en met het economisch rentabiliteitsdiscours prioritair boven de sociale doelstellingen. Overleg kan worden behouden maar binnen deze nieuwe economische krijtlijnen. Er ontstaat een andere rangorde tussen economie, sociaal en milieu, waarbij de twee laatste ondergeschikt worden aan de economische rentabiliteit.
  1. Dit is niet onze samenleving. Wij vertrekken van een sociaal model, van een samenlevingsopbouw. En als de economie niet in staat is de samenleving te onderhouden, dan willen we een discussie over die economie. Dan moeten we eerder van economisch model veranderen dan van samenleving. Dat is niet wat vandaag op de agenda staat. De economische verhoudingen worden niet ter discussie gesteld. Vermogens en rijken blijven buiten schot. Andere maatschappelijke doelstellingen moeten wel worden bijgesteld.
  • Wanneer omwille van de economische rentabiliteit de sociale voorzieningen, onderwijs en onderzoek, kunst en cultuur, openbare diensten, treinen en bussen… worden afgebouwd en dat op een ontzettend brutale en snelle wijze dan is weerstand noodzakelijk, ja dan is verzet een democratische burgerplicht, een “moral duty”. Men kan niet zomaar sociale verworvenheden en voorzieningen onder de besparingsbijl laten kapot maken, vele nuttige werken en vaardigheden laten verdwijnen, zonder te reageren. Vooral omdat vele van de bestaande werkzaamheden gewoon worden afgeschaft. Verzet is dus nodig. Twee bedenkingen komen daarbij.
  • De strijd zal worden gevoerd vanuit verschillende sectoren en organisaties, met verschillende tradities en methodes. Vanuit het beleid zal men pogen die strijd te delegitimeren, organisaties te discrediteren, motiveringen verdacht te maken. Men zal niet alleen willen dat het verzet geen punten scoort, men zal ook proberen de publieke opinie, klanten en gebruikers, tegen de sociale strijd op te zetten. Het is van belang dat de civiele maatschappij in al zijn geledingen een keten van solidariteit opzet, dat –ondanks de vele verschillen – er eenheid in de strijd is. Scholieren en studenten, werknemers en zorgverstrekkers, armen en behoeftigen, gebruikers en producenten moeten met respect voor elke positie zorgen voor één sociaal front. En dat betekent dat er ook telkens in elke sectorale strijd solidariteit komt vanuit andere sectoren.
  • En dan: het beleid zal ook slachtoffers maken. Sociale afbraak wordt door mensen in hun dagelijks leven gevoeld. Dat geldt voor verlaging van de levenstandaard, verminderde toegankelijkheid tot voorzieningen of voor verwijdering ut de samenleving. Solidariteit mag dus niet beperkt blijven tot eisenstrijd, vooral gezien we ons moeten voorbereiden op een lange periode van rechts beleid. Er moet dus opnieuw worden gewerkt aan vormen van zelfhulp, van coöperatieven, van praktische solidariteit en hulpverlening. Dat is zeker een opdracht voor de grote sociale bewegingen, maar ook voor de jeugdbeweging of het sociaal culturele werk.
  1. Denken aan hoe het anders kan en moet. Strijd moet worden gevoerd en eisen moeten worden gesteld. Maar dat wil niet zeggen dat we voor het status quo opteren , dat er geen verandering nodig is. Vooral omdat het beleid dat status quo voortdurend in vraag stelt en sommige werkingen structureel zal afbouwen. Daarom dient de mobilisatie evenzeer om een alternatief samenlevingsmodel te bespreken en te testen. Tegenover het economisch productivistische model moet een sociaal duurzaam model worden gesteld. Dat is noodzakelijk omdat er wereldwijd drie grote systemische uitdagingen levensbedreigend zijn. Het zijn die dringende thema’s die wij samen en op transversale wijze moeten opnemen.Onze verstoorde verhouding met de natuur. De industriële samenleving en het kapitalisme hebben het mondiale ecosysteem aan de rand van de afgrond gebracht. Uitputting van grondstoffen. Natuurbehoud. Pollutie. Verstoorde voedselproductie. Energievoorziening. Afnemende biodiversiteit. En de alom in het oog springende klimaatuitdaging.
  • In 2013 werden 40 miljard ton CO2 uitgestoten. Dat is 2% meer dan in 2012. En dat is 60% meer dan in 1990! Het beleid blijft schroomvol en weinig bindend. Het gaat zelfs in tegengestelde richting wanneer men de drastische bezuinigingen bij NMBS en De Lijn naast de 4 miljard fiscale steun voor bedrijfswagens legt.
  • De dringende nood aan vermindering van onze voetafdruk, aan een duurzame ecologische toekomst staat haaks op de heersende economische logica en gezien de productivistische radicalisering van het beleid vallen beiden steeds moeilijker te verzoenen. Daarom moet er werk worden gemaakt van het concreet uittekenen van een duurzaam en sociaal (stedelijk) ecosysteem met duidelijke strategische doelstellingen over infrastructuur, energiebeleid en voedselplanning, water- en luchtbeheer, mobiliteit, huisvesting, collectieve infrastructuur, e.d. Om dergelijke doelstellingen op een redelijke ( d.w.z. voor er irreversibele systeemeffecten zijn) termijn te verwezenlijken is een doortastende rechtvaardige transitie met duidelijke keuzes nodig.
  • Een tweede mondiale systeemuitdaging is de strijd tegen de sociale ongelijkheid die wereldwijd is toegenomen en onmenselijke niveaus heeft bereikt. 20% van de wereldbevolking bezit drie vierden van alle rijkdom. 40% van de mensheid moet het met 5% van de rijkdom stellen! De helft van de wereldbevolking leeft op 2,5 $ per dag, 80% zit onder de 10$. Wie kan vandaag nog zeggen dat er geen probleem is met de rijkdom van de rijken en de armoede van de meerderheid?
  • Decennialang heeft men het model verdedigd van de vrije onderneming die rijkdom zou produceren, die dan achteraf via fiscaliteit zou worden herverdeeld. Om die groei-economie in stand te houden heeft men steeds meer geprivatiseerd, geliberaliseerd en gedereguleerd en is er van fiscale herverdeling nauwelijks iets in huis gekomen.
  • Twee uitdagingen staan alvast op de agenda. Ten eerste moet een fiscale rechtvaardigheid worden bekomen en die vergt een zeer fundamentele herziening van de huidige toestand. Ten tweede kan niet alleen worden gerekend op inkomensherverdeling en marktaanbod om de maatschappelijke behoeften te voldoen. Er moet opnieuw ruimte komen voor een gemeengoed, een “commons”, een voor iedereen toegankelijk maatschappelijk aanbod niet onderhevig aan de private markten. Dat gaat over onvervreemdbare collectieve goederen die slechts in bruikleen en niet in privaat bezit kunnen komen, dat gaat over basisvoorzieningen en openbare diensten, over voedsel, onderwijs, gezondheidszorg, cultuur en kunst, mobiliteit, dat gaat ook over coöperaties en over gedeeld gebruik, en dat gaat over samenlevingsopbouw en vrijwilligerswerk. Een dergelijke strategische uitbouw van een voor iedereen toegankelijke maatschappelijke voorziening zou de kern moeten uitmaken van een duurzame economie, verdedigd in punt a.
  • Samenleven in superdiversiteit. De mensheid is totaal anders dan in de negentiende eeuw, toen het (min of meer democratische) model van de natie-staat is ontwikkeld. Dat model komt op voor territoriaal afgebakende onafhankelijke landen, met een min of meer homogene bevolking, samenhangend door een gedeeld verleden, een traditie, een identiteit, een taal en cultuur en instellingen die zorgen voor die continuïteit. In 1900 woonde 10% van de wereldbevolking in steden, vandaag 54% en in de meest ontwikkelde gebieden meer dan drie kwart. En steden groeien op nieuwkomers, binnen- en buitenlandse migranten, en op een verregaande arbeidsdeling en diversiteit in leefstijlen. Vandaag stevent die samenleving af op een toestand van superdiversiteit, waarin verschillende gemeenschappen en religies aanwezig zijn, elk met hun interne verscheidenheid, met mengvormen en hybrides en vooral zonder dat er één dominante richtinggevende gemeenschap overweegt. Stedelijkheid creëert samenhang via een project, een lotsverbondenheid, intercultuur en coproductie, een cosmopolitische stedelijkheid. Samenlevingsopbouw gebeurt er niet via gemeenschapsvorming, maar via een gedeeld burgerschap gedragen vanuit een grote verscheidenheid. Samenleven op basis van verschil staat haaks op het eigen volk eerst beginsel.

 

De drie breuklijnen zijn belangrijke uitdagingen die vragen om een keerpunt, om een echte breuk met het verleden, om een herziening van enkele basispremissen. De drie uitdagingen – een duurzaam en sociaal menselijk ecosysteem, de uitbouw van een toegankelijk gemeengoed en de uitwerking van een cosmopolitische samenleving – vallen samen in een strategisch toekomstproject. Het moet vanaf vandaag en vanuit de vele alternatieve praktijken worden samengesteld.

  1. Hoe kan het verder? Hart boven Hard heeft de zware opdracht op zoek te gaan naar samenhang in de civiele maatschappij, dwars doorheen sectoren en werkvelden en dat tegenover een hard economisch besparingsbeleid, dat vele slachtoffers zal maken. Dat beleid zal enkele jaren aanhouden, tenzij partijen die nog gevoelig zijn voor een sociale achterban er zouden mee ophouden. Maar het is verstandig niet te hopen op een snelle afwikkeling van het maatschappelijk debat, noch op een snel tot stand komen van een draagvlak voor een alternatief sociaal model. Vandaar moet de werking zowel als algemeen platform, dan wel lokaal worden uitgebouwd.

 

  • Platform van de civiele maatschappij. Het burgerinitiatief vertegenwoordigt zowel verenigingen als duizenden individuele burgers rond een alternatieve septemberverklaring. Op dat niveau kan het een spreekbuis zijn van gedeelde bekommernissen en van het verzet en ook een dwarsverbinding doorheen sectoren en werkvelden. Het kan informatie-uitwisseling, discussie en vorming stimuleren over de hoger vermelde strategische uitdagingen.

 

  • Lokaal middenveld. Er is ook een behoefte tot concrete lokale samenwerking. Hier denk ik dat we niet moeten vervallen tot het gemeentelijk niveau, tenslotte een administratieve vorm van de staat. (Er zijn 308 gemeenten in Vlaanderen, 589 in België, allen van zeer verschillend belang). We moeten op zoek naar een gepaste “lokale” schaal, waarop samenwerking ook echt effect kan sorteren, waarop grensoverschrijding ook tot nuttige schaalvergroting kan leiden. We kunnen denken aan platformen rond de 13 centrumsteden. Zoeken naar een kleinere (geclusterde)schaal wordt moeilijker. Men kan er nog 13 kernen aan toe voegen en dan nog eens 14 of uiteindelijk tot 90 kleinstedelijke kernen komen. Het gaat niet alleen om “objectieve” criteria maar ook om de mentale kaarten van betrokken mensen. En dat we ons liefst organiseren op vergelijkbare schalen. Belangrijk is echter dat het een lokale schaal is die er toe doet én die de gemeente en de gemeentelijke politiek overstijgt. Dus werken we het beste ook eens buiten onze geëigende krijtlijnen.

 

Voor zover zo’n lokale schaal ook enige samenhang vertoont is het mogelijk te werken aan een behoeftenkadaster, te vragen aan academici en experten een (eventueel thematische) diagnose te maken met enkele uitdagingen, een stadsdebat op te zetten en eventueel te gaan naar een Staten Generaal van het middenveld. Kortom, het gaat erom vanuit het middenveld mee te denken aan een maatschappelijk alternatief, ook op dat niveau een hart boven het harde beleid te zetten.

Omdat ik niet alleen denk dat een andere wereld mogelijk is maar ook steeds meer noodzakelijk wordt.