Nie up zin wuf moar up zin veld

Een dag met Francine Mestrum naar aanleiding van de verzetdag tegen de armoede Hart boven Hard regio Kortrijk

Elk jaar, zo rond half oktober, wordt op veel plaatsen in de wereld stilgestaan bij armoede en sociale ongelijkheid. Ook in Kortrijk vonden een aantal initiatieven plaats die de aandacht alweer wilden vestigen op deze problematiek. Zo was er op zaterdag 17 oktober een optocht door de stad. Die zette mee de tentoonstelling in de verf die A’kzie, de Kortrijkse vereniging waar armen het woord nemen, die dag opende. De tentoonstelling toont foto’s die het verhaal achter armoede weergeven. In de week erop organiseerde het Willemsfonds een debatavond rond het armoedeplan van de stad. En op woensdag 14 oktober nodigde Hart boven Hard Kortrijk Francine Mestrum uit voor een ronde tafel (in de namiddag) en een lezing (’s avonds). Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen, gespecialiseerd in ontwikkelingsproblematiek, en dan vooral in het onderzoek naar armoede, ontwikkeling en internationale organisaties. Zij heeft een gevarieerde loopbaan waarin theorie en praktijk, werk en engagement elkaar afwisselen en aanvullen.

Verbinden

In onze sterk versnipperde samenleving lijkt het omgaan met armoede en sociale uitsluiting soms enkel nog het terrein te zijn van armoedeverenigingen allerhand. Soms besluipt je het gevoel dat dit niet tot ontevredenheid van de ene en de andere is; zo hoeven zij zich er niet meer zo mee in te laten. Toch is armoede overal. We kennen de voorbeelden. Ouders die het kampgeld van hun kind niet kunnen betalen. Achterstallige rekeningen op school. Te dure tickets voor de schouwburg of de sportclub. In één trek passeren zo al vier sectoren de revue – jeugd, onderwijs, cultuur, sport. Rond de tafel die woensdagnamiddag zaten dan ook mensen die actief zijn in verschillende van deze sectoren, vooral dus de zogenaamde ‘zachte’ sectoren. Kunst en cultuur, onderwijs, de zorgsector, er waren ook mensen uit de vakbond. Alle namen ze de voorbije jaren maatregelen om de drempels weg te werken die mensen in armoede beletten om deel te nemen aan hun activiteiten. Maar binnen de verbindende gedachte van Hart boven Hard vroegen we ons af of de vele organisaties, uit deze en andere sectoren, die begaan zijn met de problematiek, in een gezamenlijke aanpak niet ook méér structureel op het armoededebat en –beleid zouden kunnen wegen, zo ze dit willen. Mestrum gaf volop stof tot discussie rond deze kwestie met het ontkrachten van in haar ogen vijf mythes rond armoede (deze ontkrachtingen waren ook de essentie van de lezing die ze ’s avonds zou geven).

Mythes

Dat armoede een ‘consensusthema’ is, om te beginnen. Iedereen lijkt het er inderdaad over eens te zijn dat armoede een probleem is, een smet op onze welvarende samenleving, een uit te roeien zaak. Tot het gaat over hoe het probleem aan te pakken. Dan zeggen de enen ‘het is hun eigen schuld, we moeten ze niet helpen maar straffen’; zeggen de anderen ‘het is misschien hun eigen schuld, maar we moeten ze niet straffen maar zorgen dat ze tot onze gemeenschap van normale consumenten kunnen toetreden’; zeggen de anderen ‘armoede is geen probleem van individuen, noch raakt het opgelost door de markt vrij te laten werken, maar het is een probleem van de democratische samenleving en moet daar worden opgelost’. Francine Mestrums conclusie? Armoede is meer dan een ‘objectief’ probleem een politiek thema en vereist dus politieke oplossingen. Hop naar een tweede mythe, waarvan de weerlegging aansluit bij de laatst aangehaalde politieke positie: armoede zou een probleem zijn van arme mensen, en rijke mensen kunnen dit probleem mee oplossen. Tegenover dergelijke oplossing die een politiek ten aanzien van de armen zou inhouden, voert Mestrum een globale solidariteit aan en verdedigt ze een sociale bescherming voor iedereen. Het is de boutade A policy for the poor is a poor policy. Met andere woorden: iets als sociale zekerheid uitbouwen is belangrijker dan armoedebestrijding. Het brengt Mestrum bij haar derde mythe: dat armoedebestrijding prioritair zou moeten zijn. Neen, prioritair moeten we volgens haar voorkomen dat mensen arm worden. Naast een degelijke sociale bescherming voor iedereen impliceert dit een structurele ingreep in een (economisch) systeem dat zowel armoede produceert als het vervolgens bestrijdt. Liefdadigheid, aldus mythe nummer vier, is dus uit den boze als het niet is verknoopt met iets structureels, iets wat maatschappelijke verandering kan teweegbrengen. Soms is dat meer het geval dan anders: doneren aan 11 11 11 is structureler van aard dan doneren aan moeder Theresa, aldus Mestrum. Maar daar waar solidariteit geven en nemen impliceert op basis van gelijkheid, vertrekt liefdadigheid niet alleen vanuit een machtsrelatie, maar bestendigt ze die ook. En ten vijfde: ‘wat we zelf doen, doen we beter’. Ook op vandaag, en misschien meer dan vroeger, hebben mensen de drang om zelf iets te doen. Ze rijden met kleren naar Calais, of kopen in Delhaize een pak meel voor de voedselbank.

Het problematiseren van zeker de laatste twee mythes bracht Mestrum meermaals in aanvaring met goedmenende burgers, laatst nog in een vinnige discussie op de site van MO magazine naar aanleiding van de transporten met hulpmaterialen naar ‘de jungle’ in Calais. Mestrums punt is dat om structurele veranderingen door te voeren je structuren nodig hebt, van welke aard dan ook – maar indien armoede een politiek thema is dan gaat het hier dus ook over systemen van (politieke) vertegenwoordiging en besluitvorming. In Calais kan je in eerste instantie ter plekke hulp bieden, aldus Mestrum, maar daarna kom je onvermijdelijk op het vlak van de politiek terecht. En heeft de burgemeester van Calais weinig oren naar de besognes van Belgische burgers. Maar ook in eigen land is het niet evident. Wie betrokken is bij armoedeverenigingen kent de tweespalt vaak goed, zo bleek ook tijdens de discussie ’s avonds. Zij helpen mensen in armoede min of meer een normaal leven te leiden, maar kunnen ten gronde de zaak niet oplossen (zo het al de bedoeling is dat ze dit doen). Daarvoor hebben ze het politieke niveau nodig. En als die niet mee wil dan brengt dit Mestrum bij de vaststelling dat de lijst met armoedeverenigingen alsmaar langer wordt, terwijl de armoede niet vermindert.

Tussenruimte

Bon. Wat te doen? Iedereen ziet in dat hij of zij wel sleutels in handen heeft om het armenleed te verzachten, maar voelt ook onmacht wanneer het gaat over het werkelijk uit de wereld bannen van armoede. Het politiek-economisch systeem verander je immers niet zomaar. Een eigen, alternatief, niet-armoede-producerend systeem opzetten dan? Een alternatieve munt introduceren, een coöperatie opstarten? ‘Solidariteit door nabijheid’? Velen rond de tafel zijn de ideeën genegen. Tussen de financiële tegemoetkoming in een cinematicket en het van koers doen veranderen van de neoliberale tanker ligt een tussenruimte die kan veroverd worden en van waaruit alternatieven kunnen worden opgezet, waar solidariteit kan worden georganiseerd en zichtbaar gemaakt. De vraag is: welke rol speelt wie daarin, wil wie daarin spelen? ‘Armoedeverenigingen hebben niet als opdracht de armoede op te lossen’ of ‘de kunsten moeten de armoede niet oplossen’, klinkt het. Misschien is er wel iets van aan. Maar misschien moet iedereen zich gewoon afvragen wat hij of zij als mens wil? En de meer of mindere ruimte zoeken om daar binnen zijn organisatie mee aan de slag te gaan. En Mestrums bezorgdheid in het achterhoofd houden dat initiatieven in de tussenruimte de band met het politieke, op welk niveau ook, niet mogen loslaten.

O ja, geld

In 1994 wierp het ‘Algemeen verslag over de armoede’ dat door de Koning Boudewijnstichting werd gepubliceerd een nieuw licht op de armoedeproblematiek. Het werd immers opgesteld in nauw overleg met mensen die in armoede leven en toonde vooral aan dat armoede een complex probleem is dat meer is dan een gebrek aan geld. Wie weinig geld heeft neemt minder deel aan het maatschappelijke en culturele leven, gaat minder naar de dokter, … Armoede los je dus niet op door alleen maar meer geld te geven. Je moet ook oplossingen aanreiken voor alle problemen die er mee samen hangen.

Zonder twijfel leverde het verslag inzichten die een ferme stap vooruit betekenden in het omgaan met armoede en sociale uitsluiting. Maar soms lijkt het of we op een punt zijn gekomen waar we het gebrek aan geld zelfs geen probleem meer vinden. Armen kunnen ‘goedkoop’ naar cultuur of sport, ze kunnen voor één euro op restaurant, vinden ‘goedkope’ huisvesting (de kwaliteit ervan even terzijde gelaten). Zodus, probleem opgelost?

Iemand rond de tafel gooit het iedereen gewoon in het gezicht door te stellen dat hij met die paar honderd euro per maand gewoonweg niet rond komt en dat die situatie al jaren zo is met weinig verbetering in ’t verschiet. Alle goedbedoelde maatregelen voor van alles en nog wat ten spijt. Niet dat een hoger maandelijks inkomen al zijn problemen in één klap oplost. Maar toch wel heel veel ervan. Mestrum beaamt volmondig. Ze ontkent niet dat armoede een probleem is met vele dimensies. Maar ze stelt wel dat de kern van het probleem een gebrek aan inkomen is. Daar zijn oorzaken van en gevolgen. Maar terwijl nu vooral de gevolgen worden bestreden, moeten ze worden vermeden door maatregelen te nemen die op de oorzaken inwerken.

Wordt armoede nog echt bestreden? Of wordt ze gefaciliteerd en installeren we zo een goedbedoeld maar alvast op menselijk vlak problematisch sociaaleconomisch apartheidsregime?

De meest recente armoedecijfers tonen een stabilisatie van het armoederisico in Vlaanderen. Op vandaag wordt dat al gezien als een overwinning. Maar dat betekent dat nog steeds 10,8 procent van de Vlamingen in armoede leeft. Tegelijk neemt de kinderarmoede jaar na jaar toe. Enige jaren geleden hingen uit alle ramen witte geknoopte lakens. Zo van die lakens waarmee in stripverhalen gevangenen ontsnappen. Die lakens zijn verdwenen. Er lijkt geen ontsnappen meer aan. In een veldslag zegt de witte vlag ‘ik geef me over’. De verdwenen lakens lijken te snikken, ‘we leggen er ons bij neer’.

Laat ons tijdens de volgende Verzetdag met zijn allen even luisteren naar Wannes Cappelle zijn lied Geld, waarin hij treffend verwoord: “Waarom zit den boer nie up zin wuf moar up zin veld? Voe ’t geld.”

Deze website heeft cookies nodig om goed te kunnen werken. Meer info

Deze website heeft cookies nodig om goed te kunnen werken. Als je klikt op "Accepteren" hieronder, dan geef je toestemming voor het gebruik van cookies.

Sluiten